Houtvonken

Een verhaal uit 1967 geschreven in het weekblad
H O U T V O N K E N
3e jaargang, 12 augustus 1967
Het verhaal gaat over het leven in Acht
Als er iemand is die weet die het geschreven heeft, stuur dan even een mailtje

ZO WAS HET

De hedendaagse jeugd, met hun welvaart, ontspanningsmogelijkheden, enz., kan niet beseffen, hoe het in een arbeidersgezin van 60 jaar geleden toeging. Daarom zal ik mijn persoonlijke belevenissen van zo’n 50,60 jaar geleden enigszins beschrijven.
‘t Is verre van volledig, want dat zou te veel plaatsruimte vergen.
In november 1895 ben ik te Acht, een dorpje van plm. 500 inwoners, bij Eindhoven geboren. Mijn vader was ploegbaas bij de Staatsspoorwegen, nu N.S. en beurde zes hele guldens per week.
Ik had nog 5 broers. Twee zusjes waren jong gestorven. Zoals te begrijpen was er geen weelde in ons gezin, daar de inkomsten alleen uit het hongerloontje van vader bestonden. Bovendien was vader dikwijls, ziek, maar versterkende middelen konden niet bekostigd worden.
Af en toe mocht ik bij de Zusters Franciscanen een half litertje , bouillon komen halen voor vader.
Auto’s zag men nog niet, en fietsen waren nog sporadisch. in ons dorpje. Als de hulp van een dokter nodig was, moest men te voet naar Best of Woensel. Was de dokter thuis, dan moest eerst het paard voor de koets worden gespannen, en dan kwam de geneesheer over enkele uren wel eens bij de zieke.
En zo was het overal mee.

Er waren een viertal kruidenierswinkels, maar er was geen schoenmaker, geen kleermaker, geen kolenhandelaar, geen slager, enz.
De meeste vrouwen uit Acht gingen dinsdags met de trein naar Eindhoven, om de nodige voorraad in te slaan, tenminste als de beurs het toeliet.
Met mijn vijfde jaar moest ik naar de openbare lagere school, waar een gebrekkige onderwijzer, de heer W. Renders, een een onderwijzeres, Mej.Marie van Zandvoort uit Zeelst de kinderen, zowel jongens en meisjes, het nodige onderricht gaven.
In de 6 klassen tesamen, zaten gemiddeld 40 a 50 leerlingen.
Toch was het onderwijs goed, want verschillende jongens en meisjes hebben in hun latere leven een zeer goede betrekking gevonden In december 1906 stierf vader, en moeder bleef met 6 jongens zitten. Zij moest met een klein pensioentje de eindjes aan elkaar zien te knopen. Mijn oudste broer, die bij een boer werkte voor de kost en f.35,– per jaar, moest toen ook nog soldaat worden. ,Voor kostwinnersvergoeding werd aan moeder 35 cent per dag toegekend. We waren doodarm, maar toch niet ontevreden. We wisten niet beter. ‘t Klinkt ongelooflijk, maar meermalen hadden mijn kleinere broers, en ik, bij buurman, de wortels en knollen uit de “sopketel” gehaald om op te eten.
Bij ons huis was een flinke lap grond, waarop aardappels en rogge verbouwd werden.
Ook hadden we een paar geiten, waarvan de melk gekarnd werd om boter van te maken, Een tiental kippen liepen om het huis, waarvan de eieren naar de dokter gebracht werden, als compensatie voor zijn medische hulp, omdat we geen geld hadden om te betalen.
‘t Was zeldzaam als we een half ei bij de boterham kregen.
‘t Zat er niet aan.
Toen een broer de zes klassen van de school had doorlopen, kon hij gaan werken. Hij kwam op de steenfabriek van v.Glabbeek terecht, de enige werkgelegenheid in ons dorpje, behalve dan bij de boeren, en bracht iedere week ongeveer een rijksdaalder thuis met hard wérken. Door toedoen van wethouder Renders uit Woensel, waaronder Acht ressorteerde, kreeg mijn broer ook nog gelegenheid voor een bijverdienste. Er stonden in ons dorpje n.l. drie straat lantaarns, petroleumlampen en m’n broer werd “benoemd” als lantaarnopsteker. Een lantaarn stond bij de spoorwegovergang, een nabij de kerk, en een aan de Boschdijk, de grote verkeersweg van Eindhoven naar ‘s Hertogenbosch.
De eerste en de laatste stonden enkele kilometers van elkaar.
In de winter, als er geen maanlicht was, dan moesten die om 6 uur worden aangestoken, en om 10 uur gedoofd. Mijn broer moest zorgen voor goed onderhoud. Hij moest een ladder meesjouwen, anders kon hij er niet bij. En zijn vergoeding daarvoor was 5 cent per lamp en per avond, dus dat was f.1,05 in.de 1 dagen.
Wat een kapitaal! Dat was in de winter 1906-1907.
Op Passiezondag 1907 deed ik mijn Eerste H.Communie. Weken van te voren moesten ik en de andere aspirant-communicanten ‘smorgens bij de zusters naar de Catechismus. Die moesten wij van voor tot achter helemaal van buiten kennen, anders mochten wede Eérste H.Communie niet mee doen. Men mocht ook geen Catechismus les verzuimen, want dan werd dat zondags onder de H. Mis vanaf de preekstoel afgeroepen, met naam en toenaam van de “dader “

Dat was toen nog in ‘t “Rijke Roomse leven
Toen werden ook de “schapen” nog zoveel mogelijk van de “bokken” gescheiden. Er waren in veel kerken de “manskant” en de “vrouwenkant”, d.w.z. aan de ene kant in de kerk zaten de mannen, en aan de andere zijde de vrouwen. Bij ons was voor het kerkplein, een anderhalve meter hoge muur, en in die muur waren aan de rechterkant “W.C.’s” gebouwd voor de vrouwen en aan de linkerkant voor de mannen.
Die W.C.’s waren toen ook wel nodig, want de parochianen woonden her en der verspreid, sommigen wel drie kwartier of nog verder van de kerk. En er was geen vervoermiddel dan paard en kar, op per”pedes aspostolorum (te voet).
Mijn communiepak evenals van de andere jongens, bestond, zoals toen gebruikelijk was, uit een half lange zwarte broek, zoiets even boven de enkels, jas en vest en een grote zwarte hoed (zuid wester). Mijn eerste paar schoenen, die schoenmaker Pauw Bergman uit Strijp speciaal was komen aanmeten, waren hoge zwarte bottine met aan weerskanten elastiek, welke men na een paar weken zo van de voeten kon gooien zonder er met de hand aan te komen.
Bovendien mocht ik die dag het horloge van mijn overleden vader dragen, waarvoor ik meer belangstelling had dan voor de plechtigheid in de kerk.
Van een familielid uit Helmond, kreeg ik een doos wafels, en een pakje sigáretten (10) gestuurd. Wat een weelde!
En van diverse andere familieleden kreeg ik een kerkboek. Ik geloof dat ik er wél 12 had.
Destijds was het gewoonte dat de communicanten het middagmaal gebruikten bij de winkelier waar men de waren haalde. Dat was een feest, voor me, dat ik nog niet ben vergeten en waarvoor ik de weduwe van Orthen, altijd dankbaar ben geweest.
Met nog een paar communicanten zaten we aantafel, en lieten het gebodene ons goed smaken..Als nagerecht werd gele en rode pudding op tafel gebracht. Ik keek mijn ogen bijna uit mijn hoofd.
Zoiets had ik nog nooit gezien, laat staan van geproefd.
Als we thuis eens een enkele keer rijstepap kregen van geitemelk met een korreltje suiker, was dat al iets feestelijks. U kunt begrijpen dat wij gesmuld hebben.
Een paar dagen later kwam ik uit school toen moeder vertelde dat er een paar geitenlammeren waren geboren, en dat ik die naar een opkoper in Woensel moest brengen. Om 4 uur gingen mijn broer(9 jaar) en ik (11 jaar) met de boterham in de hand en een zak met lammetjes op de rug op weg door de uitgestrekte bossen naar Woensel, waar we een goed uur later aankwamen.
Wij kregen van opkoper Wijnen, in de Lijmbeekstraat in Woensel, een dubbeltje per lam, en kwamen ‘s avonds in het donker thuis met 20 cent op zak en een doorweekte jas want de diertjes hadden gedurende hun “reis” hun “water” niet kunnen ophouden…….
Op 1 april 1907 had ik de klassen van de lagere school doorlopen en moest meteen aan het werk. Daar ik nog maar 11 jaar was en men
pas op 12-jarige leeftijd een arbeidskaart kreeg, kwam ik bij een boer terecht. Ik werd daar koeherder en manusje van alles. ‘t Was zware arbeid voor een jongen van 11 jaar, mest breken, helpen hooien, rogge en haver binden, met de “vlegel” helpen dorsen en dan ook de maatslag houden.
In de zomer waren het lange dagen, van 5 uur ‘s morgens tot ‘s avonds bijna.donker. Ook zondags had ik maar zelden vrijaf, omdat ik dan met de koeien naar de wei moest en oppassen dat zij niet bij een buurman in het veld kwamen. De weidevelden waren toen niet met draad afgemaakt, als tegenwoordig, maar er was ” meestal een sloot langs en een begroeiing van kreupelhout. De koeien hadden een”zeel” (touw) om de horens, en dat touw werd aan de linkervoorpoot onder de knie vastgebonden (geknieband)zodat de dieren gedwongen waren steeds met de kop bijna aan de grond te lopen. Ik was altijd blij als het begon te regenen, want dan moesten de beesten, hals over kop naar de stal, ze mochten niet nat worden.
Tegenwoordig hebben ze geen koeherder meer nodig, en blijven de dieren dag en nacht buiten.
Met Allerheiligen had de boer niets meer voor me te doen, en mocht ik naar huis.
In de 7 maanden dat ik bij de boer gewerkt had, kreeg ik boven kost en inwoning 10 hele guldens uitbetaald.
En omdat ik zo goed gewerkt had, kreeg ik twee “grote” centen (2+ centstuk) extra.
Met dit extra loon ging ik direkt naar de winkel van de wed.van Orthen en kocht daar 3 sigaren voor. Verbeeld je, een kind van 11 jaar met een sigaar in de mond.
Een geval dat ik op de boerderij heb meegemaakt, en waarbij ik dacht dat mijn laatste uur geslagen was, wil ik nog even vermelden. De boerderij van de Weduwe de Koning, waar ik knechtje was stond langs de Bosdijk. Behalve de weduwe, was er nog een zoon en een dochter, en een grote knecht, Jan Wouters.
Achter de woning lagen de stal en schuur.
Tussen deze gebouwen was een anderhalve meter hoge muur met een poort erin. Op het erf lag de grote hond aan een ketting bij het hok. Deze hond werd gebruikt als “karnhond”, m.a.w. hij moest de melk karnen, om er boter van te maken. Daartoe was in de stal een groot houten wiel aan een as in de muur bevestigd.
Deze as kwam door de muur in de woonkamer terecht, waaraan een soort pedaal.zat. Aan dat pedaal zat de “boterstamper” in de boterkarn. Moest er nu melk gekarnd worden, dan moest de hond in het houten wiellopen, zodat dit begon te draaien, en de boterstamper in de karnton op en neer ging.
In Woensel was destijds een achterbuurt “de Polder” genaamd, waarin beruchte personen, o.a. Tinus den Hond (Damen), de manke Meurs, Neel van Och, Toon van Heis Griete (Vervoort) woonden.
Deze personen stonden in de dorpen rond Eindhoven als echter messentrekkers en vechtersbazen bekend.
Er was zelfs een lied van deze beruchte mannen, waarvan het refrein luidde: “Wij zijn lid van de schooiersbond, onze president is Tinus den Hond”. Zij ‘deinsden nergens voor terug.
Zo werd o.a. in Acht G.de Bresser door een van die boeven zonder aanleiding met een mes in het hoofd gestoken, zodat de Bresser op slag dood was. Tijdens de kermis in Geldrop, jaren geleden, was er in een café, tegenover de kerk, enige ruzie.
De hulp van een tweetal marechaussees uit Eindhoven, die tijdens de kermis te Geldrop dienst deden, werd ingeroepen.
Een van de marechaussees werd door een “Polderman” met een mes in de rug gestoken, waaraan ook deze politieman overleed.
In de herfst van 1907, waren op een zondag tegen de avond, moeder de Koning, de dochter en ik, alleen in de boerderij, toen een drietal van die “Poldermannen” tegen de poort begonnen te slaan en met allerlei dreigementen eisten binnen gelaten, te worden. De hond ging vreselijk te keer, waardoor de schavuiten nog woedender werden. Ze kwamen naar de voorkant van de boerderij trokken hun messen en gingen die op de hardstenen raamdorpels staan slijpen. Dochter de Koning viel flauw.
Toen sloegen ze aan de voorzijde alle ramen kapot. Het oude moedertje (75) en ik(11) konden nergens heen, en uit angst begonnen we te bidden.
Hoe het kwam zijn we nooit aan de weet gekomen, maar plotseling vertrokken de mannen in de richting Woensel.

We durfden de petroleumlamp niet aan te maken, voordat de zoon en de knecht thuis kwamen, en aan hen het voorgevallene verteld hadden. De andere zondagavonden bleven ofwel de zoon of de knecht voortaan thuis, om ons te beschermen. Die beschikten beiden over een geweer, omdat ze ook nog wel eens een haas of konijn wisten te verschalken. Tot zover dit intermezzo.
Toen ik bij de boer afgewerkt was, was ik blij weer thuis te zijn, want ik besefte toen nog niet, dat door mijn thuiskomst moeder er weer een meer te eten moest geven, van haar karige inkomsten.
Moeder die zoveel zorgen had, veel geleden had van vaders overlijden, geen versterkend voedsel kon kopen, was zwak geworden. Door bemiddeling van een buurman kon ik een paar weken toch nog wat verdienen. Er was een grote,oppervlakte heide omgewerkt, in de buurt van de Mispelhoeve, waarbij de ploegschaar getrokken werd dooreen zestallome ossen. Toen dat gereed was moesten daar jonge dennen gepoot worden.
Een arbeider maakte de nodige kuiltjes en ik moest daar de jonge dennenplantjes inzetten en vasttrappen.
Daarmee verdiende ik een dubbeltje per dag, want toen het begon te vriezen, was dat weer afgelopen.
Inmiddels was ik twaalf jaar geworden, en mocht volgens toen geldende arbeidswetgeving in een bedrijf gaan werken.
Een kennis van mijn ouders, de heer P.Vennix, de latere procuratiehouder van Mignon & de Blok, zorgde ervoor dat ik bij de schoolboekhandel de heer P.v.Pierre-Bijsterveld, in de Rechtestraat te Eindhoven, in betrekking kon komen, als jongste bediende.
Als loon zou ik een gulden per week ontvangen en dan mocht ik op kosten van mijn patroon nog wat studeren. Dat was een kolfje naar mijn hand want ik was leergierig.
De verdiensten waren nog gering, want van die ene gulden per week moest nog een weekkaart voor de trein betaald worden.
Daags na Driekoningen, 7 januari 1908, trad ik in mijn nieuwe betrekking. ‘t Was die dag bitter koud, en er viel een dichte laag sneeuw.

, s Morgens om acht uur werd ik met lichte kantoorwerkzaamheden belast. ‘s Middags om twaalf uur was het schafttijd. Wegens de felle koude raadde mevrouw mij aan om op kantoor, bij de kachel mijn boterham op te eten. Maar het was pas de eerste dag en ik was te verlegen om daar gebruik van te maken. ,Daarom ging ik naar buiten en stond daar in een ijzige noord- , oostenwind mijn boterham op te peuzelen. Ik stond zowat te bevriezen en om half twee moest ik weer aan het werk. Gaarne zou ik eerder naar binnen zijn gegaan, maar zo “brutaal” was ik niet.
Toen ik om half twee naar het warme kantoorlokaal ging, kon ik het eerste half uur niets uitrichten, zo verkleumd was ik.
‘s Avonds toen ik thuis kwam, informeerde moeder belangstellend hoe het gegaan was.
“Goed”, zei ik, maar vertelde niet wat ik in het middaguur had meegemaakt.
, s Anderendaags ging ik weer naar Eindhoven en van moeder moest ik in het middaguur een boodschap doen in Woensel. Dat was een uitkomst.
Nu behoefde ik tenminste geen anderhalf uur buiten in de kou te blijven staan.
Ongeveer vier uur namiddag kwam een buurman van ons, Nol Wouters de boekwinkel binnenstappen. Nadat hij geruime tijd op fluisterende toon met meneer van Pierre had staan praten, kwam mevrouw naar mij toe, deed mijn jas aan, en zei, dat ik met buurman naar huis moest gaan, want moeder was ziek geworden.
Na ruim een uur door de dikke sneeuwlaag over het spoorpad gelopen te hebben, kwam ik thuis. Ik vond mijn vijf broers schreiend rond de tafel zitten. Moeder was dood…… Moeder die zoveel zorg, armoede had meegemaakt was naar een beter leven heengegaan, zes kinderen onverzorgd achterlatend. Wat moest er nu gebeuren? Goede raad was duur.
We konden niet bij elkaar blijven, daarvoor waren de inkomsten te klein, en bovendien was er geen vrouwelijke hulp voor het huishouden, en om op de kleintjes te passen. De jongste was nog maar drie jaar. Na de begrafenis van moeder werd er een familie raad gehouden, en daar werd besloten dat mijn oudste broer, die voor zich zelf kon zorgen, in de kost zou gaan.
Een andere broer kon bij een boer in betrekking komen. Mijn twee jaar oudere broer en ik zouden bij familie in Deurne worden onder gebracht. De vijfde ging met een tante mee naar Zeelst, en de jongste van 3 jaar werd bij goede vrienden ondergebracht.
De schamele bezittingen van huisraad enz. werd door een notaris verkocht, en van die opbrengst moesten de dokter en de uitvaart van moeder nog betaald worden. Ofschoon de mensen waar we waren opgenomen goed voor ons waren, konden we toch onze geboorteplaats niet vergeten. Zo liepen mijn broer (10) en ik (12) met Pasen 1908 te voet van Deurne naar Acht, een afstand van ruim 30 km. om de plaats van onze geboorte nog eens op te zoeken, en op de graven van onze ouders te bidden. We hadden heimwee!
Maar het leven gaat onverbiddellijk verder. In 1910 kwamen mijn broer en ik in Helmond, waar we op een textielfabriek arbeid vonden. Maar de verdiensten waren niet groot genoeg, om er het kostgeld van te betalen. Van het pensioentje van de Staatsspoorwegen dat werd uitbetaald tot de jongste 16 jaar was, moest dan worden bijgepast.
In de eerste wereldoorlog maart 1916 kwamen mijn broer en ik in Mierlo-Hout in de kost. Wij moesten f.6,– per week kostgeld betalen.
Mijn broer werkte bij van Vlissingen in Helmond en beurde iedere week f.7,– en ik op de “Helm”cacaofabriek, en verdiende wekelijks f.8,32, zodat wij respectievelijk f.1,– en f.2,32 wekelijks over hielden voor kleding, zakgeld, enz.
Het lijkt haast ongelooflijk, maar ‘t is de harde werkelijkheid.
Maar ofschoon we in onze jeugd niet veel meer dan armoede hebben gekend, hebben we allen toch nog een behoorlijke kostwinning kunnen bereiken. Een broer heeft jarenlang een goede betrekking bij de N.S.. gehad, een andere broer bracht het tot adjudant van de 20 man sterke groep gemeentepolitie te Geldrop, en een andere was brigadier-rechercheur van politie te Breda.
De jongste broer overleed begin 1934,29 jaar oud, aan een verwaarloosde griep, waardoor hersenvliesontsteking was ontstaan.
(slot) A.O.W.-er

Geef een reactie