Hoe Acht toen was

HOE ACHT TOEN WAS Door W. Vervoort

In Op Acht zijn reeds vele artikelen verschenen over de geschiedenis van Acht. Deze geschiedenis begon rond 1920. Mijn vader Th. Vervoort
81 jaar begint zijn geschiedschrijving over zijn familie met de geboorte datum van zijn vader op 18 mei 1864 in Best. In de periode 1905 – 1914 hebben zij in Acht gewoond. Hij werkte bij de spoorwegen en was bevorderd tot haltechef in Acht.
Het station had een wachtkamer en een stationsbureau. Verder was er een huiskamer,voorkamer en een keuken. De slaapkamers lagen boven het woongedeelte en de stationsvertrekken. In een klein gebouwtje naast het station waren 2 toiletten. Achter het station was een opslagplaats die opgetrokken was uit spoorbielzen voor de steenkool en de petroleum. De halte Acht bestond in hoofdzaak van goederenvervoer zoals stenen van de steenfabriek, hooi en stro van de boeren en vooral hout voor de mijnen. Dat hout werd tuit de bossen met “mallejannen” naar de losplaats gebracht en werd daar op maat gezaagd.
Vooral voor Belgische mijnen was dat hout bestemd en de werklui die het hout zaagden waren dan ook veelal Belgen. De signaalpalen werden vanuit het stationsbureau bediend, daar was ook telefoon en een telegraafverbinding met de andere stations. Er was 3 man personeel. Een chef dan een arbeider- telegrafist (eerst Jan Engels daarna Klaas van den Burgt en toen Toon van Vroenhoven) en dan nog een wisselwachter.
De steenfabriek van Van Glabbeek, een der modernste steenfabrieken van die tijd, was de grootse afnemer van goederenwagons. Verder was er aanvoer van “beer” afkomstig van de stad Utrecht.
Daartoe was helemaal aan het einde van de losplaats op zeker 500 meter van het station verwijderd een grote gierput van 7 bij 15 meter gemaakt. De special voor dat doel gebouwde goederenwagons werden automatisch gelost, Die “beer” werd door de boeren in hun speciale ton karren afgehaald en diende dan als mest voor hun land. Hij heeft op de lagere school gezeten van de 2 de tot de zesde klas.
Voor hij naar de H.B.S. in Helmond ging en kan zich Acht dus goed herinneren.
De Mispelhoef werd toen bewoond door Piet van Eerd en was behalve boerderij toen ook al café. Als de beer-wagens uit Utrecht gearriveerd waren moest mijn vader ‘s avonds boer van Eerd gaan waarschuwen. De weg naar de Mispelhoef was een zaadweg, veelal modder. Er was op Acht een lantaarnpaal met petroleumlicht en die stond aan het spoor, de rest was aardedonker al naar gelang de tijd van het jaar. Als hij dan in het donker naar boer van Eerd moest kwam hij langs verschillende boerderijen o.a. van Verraa, van Vogel etc, En daar waren dikwijls loslopende honden, hij zorgde wel dat een knuppel bij zich had,
maar was altijd blij als hij er onderweg geen tegengekomen was. Boerin van Eerd beloonde zijn komst altijd met een glas bier. Zowel de weg naar Woensel als naar Oirschot waren nog zandbanen.
Daarlangs ging de bedevaartgangers in de maand mei naar het kapelleke in Oirschot. Opgericht ter ere van Maria, Maria ter Linden. Acht was in die tijd gescheiden van Best door de heide die een geheel vormde met de vermaarde Oirschotse heide en zich uitstrekte van Oerle, Wintelre, Oirschot, Best, Son en Acht. De Oirschotse heide lag er toen nog bij zoals vele eeuwen de Franken haar hebben aangetroffen. Tijdens de vakantie gingen zij met meester Renders die toen hoofd van de Achtse school was gewapend met schoppen op zoek naar grafheuvels. Zij hebben er inderdaad een gevonden en de potten en scherven zijn door Meester Renders opgestuurd naar het Oudheid kundig Museum in leiden.
Volgende keer meer over de school.

Uit Op Acht van januari 1978

Geef een reactie