Archeologie

Archeologie in en om Acht

OVERZICHT VAN DE ARCHEOLOGISCHE VONDSTEN IN DE VOORMALIGE GEMEENTE WOENSEL
door G.Beex uit het boek:Bijdragen tot de geschiedenis van Woensel door W.H.A. Renders
bib938.1

Toen mij verzocht werd in deze bundel een overzicht te geven van de archeologische vondsten in de voormalige gemeente Woensel, heb ik niet lang geaarzeld. Het leek me niet moeilijk uit mijn alfabetisch gerangschikt kaartsysteem de onder Eindhoven geregistreerde vondstberichten uit te sorteren, voor zover deze op Woensel betrekking hadden. Bovendien stuurde de redacteur van deze bundel mij uit zijn familiearchief aantekeningen, kopieën en zelfs een oude kaart toe, die hadden toebehoord aan de heer W. Renders, Jzn, destijds hoofd der school te Acht,

acht1866

Overzicht van de oudheidkundige vondsten in de gemeente Woensel en omgeving, door G. Beex. (Kaartje gemeente atlas, J. Kuyper, 1866.)

een kerkdorp in de gemeente Woensel. Afgezien van enkele minder belangrijke vondsten bij de Potjesberg te Son had de heer Renders in het najaar van 1900 en het voorjaar van 1901 zeer verdienstelijk werk gedaan, toen hij in de Bestse of Aarlese heide enkele grafheuvels onderzocht en daarin urnen aantrof, die hij aan het Provinciaal Genootschap te ‘s-Hertogenbosch schonk. Het zou voor de redacteur van deze bundel wellicht teleurstellend kunnen zijn, nu blijkt dat deze urnen nie’t binnen de gemeentegrenzen van Woensel zijn gevonden, maar op het grondgebied van Best. Ook andere vondsten die onder de naam Acht zijn gepubliceerd, zijn afkomstig uit het grondgebied van de gemeente Best. Dat ik deze vondsten met enige andere langs de noordrand van het dal van het riviertje de Ekkersrijt toch in dit overzicht wil opnemen, heeft een drietal redenen. Vooreerst is het een eenvoudige erkenning en waardering voor de vroegtijdige en zorgvuldige archeologische opsporingsactiviteiten van het vroegere schoolhoofd te Acht. De tweede reden is, dat de archeologische vondsten uit Woensel vrij volledig werden gepubliceerd in het archeologisch overzicht der gemeente Eindhoven in het tijdschrift Brabants Heem (Beex 1967). Tenslotte meen ik dat het riviertje de Ekkersrijt

a

Kringgroep-urneveld nabij Acht. westelijk gedeelte, gezien vanuit het zuidwesten op de gedeeltelijk ontgraven kringgrep tumulus, met een urn in het centrum. (Naar: W.J.A. Willems, Een bijdrage tot de kennis der voor-Romeinse urnenvelden in Nederland.)

tot het agrarisch areaal van het dorp Acht heeft behoord, zeker in de prehistorische tijd. Zoals de Dommel en de Sonse Waterloop betekenis hebben gehad voor het economisch bestaan van Woensel en Vlokhoven, zo moet de Ekkersrijt onmisbaar zijn geweest voor de bewoners van Acht, veeleer dan voor die van Best en Oirschot. Dit geldt niet alleen voor het beekdal, maar ook voor de aansluitende hoge gronden.
De heide had vóór de komst van de kunstmest een essentiële betekenis voor de landbouw op zandgronden. Dit belang blijkt vooral uit de schapenteelt (wol, vlees, melk en stalmest) en het houden van bijen (honing als enige zoetstof toen er nog geen suiker was) en bijenwas voor verlichting (kaarsen) en andere doeleinden. Het riviertje de Ekkersrijt heeft in de prehistorie een bijzonder grote rol gespeeld.
Het ontspringt in de Postelse Weier bij het gehucht Halve Mijl tussen Oerle en Vessem en heeft daar nog de naam Bruggerijt die het blijft behouden tot de kruising met de Oirschotsedijk, waar de naam verandert in Ekkersrijt.
Bij die oorsprong ligt, noordelijk van de Postelse Weier, de bekende groep van oorspronkelijk veertig grafheuvels uit de Bronstijd, die op het einde van de veertiger jaren werden onderzocht. Hierbij lag ook een urneveldje uit een iets jongere periode en een grafheuvel uit een oudere periode namelijk het Neolithicum (Glasbergen 1954).
Uit deze laatste periode dateren twee nederzettingen van de zogenaamde Vlaardingencultuur (van Beek 1977). Verscheidene stenen bijlen en pijlpunten werden eveneens in dit gebied gevonden (Beex 1965, p 43-45 en Beex 1963, p 139).
Stroomafwaarts lagen zes gratheuvels westelijk van de plaats waar het riviertje onder de weg Oerle-Wintelre doorstroomt (Panken 1845).
Ook kwamen hier neolitische vondsten aan het licht, namelijk een vuurstenen beitel en een mes (Beex 1965, p. 43-45). Bij de Scherpenering werden scherven van een nederzetting uit de IJzertijd gevonden (Beex 1970, p. 44).
Uit de omgeving van Valkenhorst zijn vrij veel vondsten uit Neolithicum en Mesolithicum bekend (Beex 1968, p. 110- 123).
Al deze vondsten liggen buiten de invloedssfeer van de Achtse bewoners. Anders ligt dit bij de volgende vindplaatsen. Vooreerst een urnenveld bij de plaats waar het riviertje onder de Oirschotsedijk doorstroomt (zie kaart A). In de zomer van 1938 werd dit terrein door de Heide Mij in werkverschaffingsverband ontgonnen, waarbij talrijke urnen met daarin verbrande beenderresten aan het licht kwamen.
Een der arbeiders schreef hierover in 1948 een brief aan de redactie van Brabants Heem.
Na tien jaar blijkt zijn verontwaardiging nog even groot over het feit dat het werk niet onderbroken mocht worden om de urnen voorzichtig uit te graven, zodat alles op kipkarretjes naar een lager gedeelte van het terrein werd getransporteerd.
In zijn brief vermeldde hij ook dat de eigenaar van het perceel op die plaats twee stenen beitels had gevonden.

a

Fragment van de door meester Renders gebruikt topografische kaart, waarop de vindplaats met een kruisje is aangegeven (uitgave 1901, blad 51, Eindhoven, naar verkenningsgegevens 1896-1898. Schaal 1:50.000.)

De Ekkersrijt verder stroomafwaarts volgend, zien we dat het riviertje een scherpe knik maakt in oostelijke richting. Het stuit hier namelijk op een hoge zandrug die vanaf de Legerplaats-Oirschot in noord-oostelijke richting loopt tot bij de steenfabriek van van Hapert. Deze zandrug wordt momenteel doorsneden door het Beatrix-kanaal,

a

Situatie schets van het grafveld nabij Acht (Naar.- W.J.A. Willems, Een bijdrage tot de kennis der voor-Romeinse urnenvelden in Nederland).

juist op de plaats waar in 1900 meester Renders zijn eerste urnen vond (B). Deze urnen staan afgebeeld in de catalogus van de archeologische verzameling van het Provinciaal Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen te \’s-Hertogenbosch, waaraan Renders zijn vondsten afstond (Catalogus 1917, p. 41 ).
Zij staan vermeld onder de nummers 104, 105 en 106 als “Germaanse urnen van het gewone type met kartelrand”. Verder de nummers 107 en 108 als “fragmenten van twee zulke urnen” en onder nummer 109 “fragment van cylindervormig bijpotje uit deze urnen”.
Verder staan nog vermeld: “fragment van bekertje op voet” en “vuursteensplinters uit deze urnen”. Deze vondsten staan in genoemde catalogus vermeld onder de plaatsnaam Acht met als nadere aanduiding: Achter-heide.
Uit de aantekeningen van meester Renders en vooral door de aankruising van de vindplaats op de topografische kaart 1 : 50.000 (uitgegeven in 1901 ) weten we dat deze vindplaats lag juist ten noord-westen van de knik in het riviertje de Ekkersrijt en ongeveer op de plaats waar later het beatrix-kanaal dwars door de hoge zandrug is gegraven.
Dit urnenveld heeft later in de archeologie grote bekendheid gekregen door het onderzoek in 1933 en 1934 van Prof. Dr. A.E. van Giffen, directeur van het Biologisch-Archeologisch Instituut te Groningen, samen met zijn assistenten W.J.A. Willems en diens neef Joh. Willems, het latere kamerlid en voorzitter van het Provinciaal Genootschap. Dit urnenveld was het eerste dat in Noord-Brabant werd onderzocht volgens de nieuwe door van Giffen ontwikkelde opgravingstechniek. De opgraving had plaats ten westen van het Beatrix-kanaal. Het verslag en de resultaten van dit onderzoek werden gepubliceerd in de dissertatie van Dr W.J.A. Willems (Willems 1935, p. 93-120 met afbeeldingen 1 tot 17). Voorzover het werd onderzocht zijn in dit umenveld 58 kringgreppels (gegraven rond kleine heuveltjes die de urnen bedekken) aangetroffen en een vijftal zogenaamde “lange bedden” (lange, evenwijdig lopende greppels die aan beide einden met een halve cirkel zijn afgesloten). In het urnenveld werden 65 urnen en bijpotjes aangetroffen, waarbij een zeer grote pot van 85 cm hoogte.
In de urnen werden behalve verbrande beenderresten ook enkele sieraden aangetroffen zoals een bronzen halssnoer van tien holle bronzen kegeltjes, een bronzen naald met dubbelconische kop en een bronzen ringetje. Tijdens de opgraving werden op het terrein ook sporen van neolitische bewoning gevonden, bestaande uit scherven van klokbekers en potbekers, een gave stenen bijl en fragmenten van twee dergelijke bijlen en verder talrijke kleinere vuurstenen werktuigjes. Behalve op bovengenoemde vindplaats werd in 1971 nog een mooie stenen bijl gevonden door Ir H.H. Voetman uit Geldrop op een akker juist ten zuiden van het urnenveld. Ten oosten van het urnenveld tot aan de spoorlijn (bij C) liggen eveneens verscheidene vindplaatsen.
In 1959 verzamelden J. Groels en J. de Vries hier talrijke aardewerkscherven uit het late Neolithicum (Arts 1975). Ook werd door de Vries een,vuurstenen bijltje gevonden.\’ Deze\’ vondsten hadden plaats tijdens het\’onderzoek van twee mesolithische vindplaatsen in deze omgeving.
Ook G. van Kemenade uit Eindhoven verzamelde hier mesolithische vondsten die vermeld staan in een artikel van A. Wouters (Wouters 1956). Midden tussen Beatrix-kanaal en spoordijk lag tot ongeveer 1960 een mooie ronde uit plaggen opgebouwde heuvel die ongetwijfeld een grafheuvel uit de Bronstijd is geweest.
Rond 1960 is de heuvel onopgemerkt afgegraven. Het gehele gebied is thans onherkenbaar veranderd door de aanleg van de verbindingsweg tussen Tilburgseweg en de weg naar Den Bosch.
De zandrug zet zich oostelijk van de spoorlijn voort (D) en daarop liggen nog een paar mesolitische vindplaatsen en aan weerszijden van de Rijksweg nog een urnenveld. Reeds in 1847 zijn hier bij de aanleg van de weg urnen gevonden (Hermans 1865, met afbeeldingen op Pl. VI,

nr. 10, 11, 12, 13 en op Pl. VII, nr. 4 en 5). In de catalogus van het Prov. Genootschap staan vermeld:
nr. 112 Gallo-Germaans urntje met hoge rand en mooie gesloten versiering;
nr. 113 urn met twee oortjes;
nr. 114 Gallo-Germaans urntje;
nr. 115 Gallo-Germaans urntje;
nr. 116 Bijpotje uit bovengenoemde urnen;
nr. 117 Bijpotje uit bovengenoemde urnen;
nr. 118 Bijpotje uit bovengenoemde urnen;
nr. 119 Bijpotje uit bovengenoemde urnen;
nr. 120 Grote bronzen naald met kegelvormige kop.

Bij controle in 1965 trof ik ten westen van de Rijksweg nog enkele mooie ronde heuveltjes van dit urnenveld aan. In het Noordbrabants Museum te \’s-Hertogenbosch zijn later nog twee bronzen bijlen van deze vindplaats terechtgekomen. Het betreft:
nr. 8043 Een bronzen randbijltje (lang 9,7 cm) met waaiervormige snede, daterend uit de Vroege Bronstijd;
nr. 8044 Een bronzen hielbijl (lang 16 cm) daterend uit de Midden Bronstijd.

Een vijfde vindplaats (E) ligt oostelijk van de Rijksweg, waar H. Bekx uit Son een bijzonder mooi en gaaf bijltje vond van lichtgrijze vuursteen niet witte vlekken. De doorsnede is bijna zuiver ovaal. Lengte 9 cm; breedte 4 cm; dikte 2,2 cm. Het werd gevonden in april 1968. In hetzelfde jaar meldde Jac. Babin, leerling van de kweekschool te Eindhoven, dat op hetzelfde perceel, maar reeds enkele jaren eerder, een stenen bijltje was gevonden van donkergrijze vuursteen, waarvan het snijvlak was afgebroken. De doorsnede was ruitvormig. De (rest-)lengte bedroeg nog 11 cm. Op dezelfde plaats was ook een grote vuurstenen schrabber gevonden. die eveneens uit het Neolithicum dateert (A.N. 1968, p. 69). Tenslotte werd in 1972 bekend dat wijlen de heer Reckman rond 1930 een stenen bijl met ovale doorsnede had gevonden die was vervaardigd van bruin-grijze vuursteen. Lengte 17,5 cm; breedte 7 cm en dikte 3,8 cm (A.N. 1972, p. 40). Na dit overzicht van de vondsten langs de noordrand van het dorp Acht volgen nu de vondsten en vindplaatsen in de gemeente Woensel

Reageren is niet mogelijk